1. Leerlingen en scholen
- Utrecht heeft ongeveer evenveel basisscholen als buurten
- Ruim driekwart van de leerlingen in Binnenstad woont in een andere wijk
- Veel kinderen uit Overvecht gaan buiten de wijk naar school
- In Overvecht gaan nauwelijks leerlingen met een hoog huishoudinkomen naar school
- Nauwelijks leerlingen met twee ouders zonder startkwalificatie in Binnenstad
- Aandeel leerlingen met twee ouders in het buitenland geboren het grootst in Overvecht
- Sociaaleconomische positie van huishoudens met schoolgaande kinderen het hoogst in Noordoost
1.1 Hoeveel scholen en leerlingen zijn er per wijk?
Utrecht heeft ongeveer evenveel basisscholen als buurten
Niet in elke buurt is een basisschool, bijvoorbeeld in kleine buurten en op bedrijventerreinen. In negen van de 112 Utrechtse buurten wonen geen of minder dan tien kinderen in de basisschoolleeftijd. Deze 112 buurten vormen samen 34 subwijken en 10 wijken. Daarin staan 105 basisscholen met in totaal 29.901 leerlingen (2024/2025). Daarnaast gaan er 533 Utrechtse schoolkinderen naar een school buiten de stad. Er gaan 953 kinderen van buiten de stad in Utrecht naar de basisschool. Sinds de vorige segregatiemonitor basisonderwijs over schooljaar 2020/2021 zijn er scholen bijgekomen in de wijken West, Vleuten-De Meern en Overvecht. Binnenstad heeft een school minder dan bij de vorige monitor.
Figuur 1: Aantal scholen en aantal leerlingen naar schoollocatie en woonlocatie
1.2 Hoeveel kinderen gaan in een andere wijk naar school?
Ruim driekwart van de leerlingen in Binnenstad woont in een andere wijk
Gemiddeld in Utrecht komt 20% van de kinderen op school uit een andere wijk, zie figuur 5. In de binnenstad ligt dit aandeel veel hoger, daar komt 76% van de kinderen op school uit een andere wijk. Daarna volgen Oost (45%) en Zuidwest (32%). Het hoogste aandeel leerlingen vertrekt uit de wijken Binnenstad (45%), Overvecht (36%, 1.114 leerlingen) en Zuid (31%, 645 leerlingen). Toch is er in alle andere wijken ook voldoende schoolcapaciteitDe omvang van de beschikbare huisvesting versus de benodigde omvang van de huisvesting voor de leerlingen in onze stad. De gemeente hanteert 112,5% als norm. Dat betekent dat er op iedere 8 groepen, er 1 groep extra aan capaciteit beschikbaar is om een kleine groei op te vangen. (zie figuur 2). De gemeente streeft naar een capaciteit van 112,5% (leerlingprognose Utrechtse scholen, 2024). Zo kan een kleine groei in het aantal kinderen binnen een wijk worden opgevangen. Een percentage van 125% ziet de gemeente als meer dan voldoende ruimte.
Figuur 2: Leerlingen en scholen in de wijk
Veel kinderen uit Overvecht gaan buiten de wijk naar school
De wijken waaruit de meeste leerlingen vertrekken om naar school te gaan zijn Overvecht (1.114), Leidsche Rijn (862) en Noordwest (836), zie figuur 3. Toch gaan ook in deze wijken de meeste kinderen naar een school binnen de wijk. In Zuidwest (1.014), Oost (1.013) en Noordoost (915) zien we de grootste instroom van leerlingen uit andere wijken. In Oost komt dat aantal (1.013) zelfs in de buurt van het aantal leerlingen dat in de wijk woont én in de wijk naar school gaat (1.233). Door de leerlingenstroom tussen wijken gaan er in sommige wijken meer kinderen naar school dan er wonen. Dit zien we voornamelijk in Oost (607), Binnenstad (527) en Zuidwest (438). In andere wijken gaan er juist minder leerlingen naar school dan er wonen, zoals Overvecht (811), Zuid (471) en Noordwest (238).
Figuur 3: Leerlingenstromen de wijk in en uit
1.3 Hoe groot zijn de verschillen in achtergrondkenmerken van groepen kinderen per wijk?
In Overvecht gaan nauwelijks leerlingen met een hoog huishoudinkomen naar school
Ook is het aandeel leerlingen met een huishoudinkomen tot de laagste 20% het hoogst in Overvecht (56%). Andere wijken met een groot aandeel leerlingen met een laag huishoudinkomen zijn Zuidwest (41%) en Noordwest (35%). De groepen leerlingen met een hoog huishoudinkomen zijn het grootst in Oost (36%) en Noordoost (34%).
Figuur 4: Achtergrondkenmerken van ouder van leerlingen per wijk
Nauwelijks leerlingen met twee ouders zonder startkwalificatie in Binnenstad
Hierbij kijken we alleen naar de wijk waar leerlingen naar school gaan, niet naar de wijk waar leerlingen wonen (zie figuur 3). Dit doen we omdat dit de kenmerken en groepen laat zien zoals ze gebruikt zijn om onderwijssegregatie te berekenen. Hier zien we daarom de verschillen tussen wijken na het effect van de leerlingenstromen tussen wijken, zoals beschreven in paragraaf 1.2. Het valt op dat in sommige wijken er kleine leerlingaantallen zijn van ouders met bepaalde achtergrondkenmerken. In Binnenstad gaan nauwelijks leerlingen naar school met twee ouders zonder startkwalificatie, afgerond 0%. In Noordoost heeft maar 1% van de leerlingen ouders zonder startkwalificatie en ook in Oost (2%), Leidsche Rijn (2%) en Vleuten-De Meern (2%) is dit aandeel laag. Dat komt verschillen tussen wijken van Utrecht maar ook de positie van Utrecht ten opzichte van Nederland. In Utrecht heeft 4% leerlingen twee ouders zonder startkwalificatie, in Nederland gemiddeld is dat 8% (KBA, Kohnstamm Instituut, DUO, 2025).
Aandeel leerlingen met twee ouders in het buitenland geboren het grootst in Overvecht
Gemiddeld in Utrecht heeft 58% van de basisschoolkinderen twee ouders die niet in het buitenland zijn geboren. 18% van de leerlingen heeft ouder die in het buitenland geboren is. 24% van de leerlingen heeft twee ouders in het buitenland geboren zijn. In Overvecht (25%) en Zuidwest (35%) gaat het kleinste aandeel kinderen naar school waarvan beide ouders in Nederland geboren zijn. In Noordoost (73%), Binnenstad (71%) en Vleuten-De Meern (71%) is dat aandeel het grootst. Het aandeel kinderen waarvan beide ouders in het buitenland geboren zijn is het grootst in Overvecht (51%), Zuidwest (46%) en Oost (32%). Dit aandeel is het kleinst in Binnenstad (9%), Noordoost (12%) en Vleuten-De Meern (13%).
1.4 Hoe groot zijn de verschillen in sociaaleconomische positie van huishoudens in wijken en subwijken?
Sociaaleconomische positie van huishoudens met schoolkinderen het hoogst in Noordoost
De sociaaleconomische positie is bepaald per huishouden op basis van welvaart (inkomen en vermogen), opleiding en het arbeidsverleden in de afgelopen vier jaar. Dit is samengevat in één score, SES-WOASociaalEconomische Status (positie) op basis van Welvaart, Opleiding en Arbeidsverleden., waarbij de score voor Nederland gemiddeld ongeveer nulDe score voor Nederland is nul in het basisjaar. De jaren daarna kan het gemiddelde voor Nederland iets verschuiven. De score ligt dan dicht bij nul. is. Voor de huishoudens van alle Utrechtse basisschoolkinderen gemiddeld is deze score 0,4. Dit geeft aan dat de sociaaleconomische positie van leerlingen in Utrecht hoger is dan gemiddeld. Dat geldt niet voor alle wijkenVoor SES-WOA wordt naar de woonlocatie van de leerlingen gekeken en niet naar de wijk waarin leerlingen naar school gaan, zoals eerder in dit hoofdstuk gedaan is.. De sociaaleconomische positie van schoolgaande kinderen is het laagst in Overvecht (-0,39) en Zuidwest (0,13). In Noordoost is de SES-WOA van leerlingen het hoogst (0,83). Binnen wijken (subwijken) zien we soms ook grote verschillen in de sociaaleconomische positie van basisschoolkinderen. Met name in Zuidwest, maar ook binnen Zuid en Noordwest is er veel verschil in SES-WOA van leerlingen tussen de subwijken. Grote verschillen in sociaaleconomische positie tussen de subwijken van een wijk kunnen van invloed zijn op de onderwijssegregatie binnen de wijk. Zeker als subwijken onderling gescheiden worden een kanaal of grote weg. Dit zullen we terugzien in hoofdstuk 3, Onderwijssegregatie per wijk.
Figuur 5: Gemiddelde sociaaleconomische positie (SES-WOA, 2023) van schoolgaande kinderen (het huishouden)