1. Inleiding
1.1 Utrechts onderzoek naar inburgering
In dit onderzoek richten we ons op hoe inburgeraars zich ‘thuis weten’ in de gemeente Utrecht. Het is een uniek en specifiek Utrechts onderzoek. Eerdere onderzoeken naar inburgeraars of vluchtelingen zijn vooral uitgevoerd op landelijke schaal, waarbij vaak werd ingezoomd op verschillende landen van herkomst bij inburgeraars. Dit rapport beschrijft de resultaten van de tweede meting, als opvolging van de eerste meting die verscheen in het voorjaar van 2024.
Door dit onderzoek jaarlijks te herhalen krijgen we een steeds beter beeld van hoe de inburgering in Utrecht verloopt en hoe inburgeraars zich thuis weten. Na meerdere metingen kunnen we de bevindingen ook steeds beter interpreteren.
De onderzoeksopzet is in ontwikkeling, dat wil zeggen dat we de lessen uit het eerste onderzoek in 2024 hebben meegenomen en toegepast in deze vervolgmeting. Zo hebben we er in deze meting onder andere voor gekozen om de interviews met inburgeraars in de eigen taal uit te voeren. Dit zorgt ervoor dat we een meer diverse groep inburgeraars kunnen spreken en omdat er geen taalbarrière is, de gesprekken vloeiender verlopen. Hierdoor kunnen inburgeraars beter hun sentiment overbrengen.
In deze inleiding beschrijven we eerst wat de gemeente Utrecht onder het 'thuis weten’ van inburgeraars verstaat en wat de bijbehorende onderzoeksvraag voor deze studie is. Vervolgens lichten we de onderzoeksmethode toe en besteden we aandacht aan de diverse achtergronden van de inburgeraars, wat belangrijke implicaties heeft voor de interpretatie van de resultaten. We sluiten het hoofdstuk af met een leeswijzer.
1.2 Inburgeraars zich ‘thuis laten weten’ in Utrecht
Met de komst van de Wet inburgering 2021, hebben alle gemeenten in Nederland een specifiekere en meer zwaarwegende taak gekregen dan voorheen, om nieuwkomers te begeleiden bij hun inburgeringsproces. Gemeenten moeten daarbij maatwerk leveren en stellen voor inburgeraars persoonlijke plannen op waarin zij afspraken formuleren over met name het leren van de taal en het participeren in de samenleving. De ambitie van de gemeente Utrecht reikt echter verder dan alleen uitvoering geven aan de wet. Het gemeentelijke beleid is erop gericht dat inburgeraars zich in brede zin thuis weten in de stad. Voorbeelden van beleid dat hierop gericht is, zijn het Utrechtse Welkomhuis (ondersteuning voor inburgeraars dichtbij), de samenwerking binnen Inburgering 030 (sluitende aanpak van hulpverlening) en het programma Kansrijke Start (de inburgeraar maakt in een vroeg stadium kennis met de stad). Het beleid is uitgewerkt in de Nota van Uitgangspunten Opgave Inburgering.
De gemeente Utrecht wil de ambitie dat inburgeraars zich thuis weten in Utrecht volgen op basis van concrete uitkomsten. Hiervoor is een monitoringsinstrument nodig dat periodiek inzicht geeft in de voortgang van de inburgeringsdoelen. Voorafgaand aan de eerste meting in 2024 is een traject gestart waarbij ambtenaren, ervaringsdeskundigen en professionals indicatoren hebben opgesteld die helpen om de voortgang te monitoren. Deze kernindicatoren, gebaseerd op het Indicators of Integration Framework, geven inzicht in hoe inburgeraars zich ‘thuis weten’ in Utrecht. De lijst met kernindicatoren is te vinden in bijlage 1. Voor dit onderzoek zijn de kernindicatoren vertaald en aangepast, waarbij sommige nog in ontwikkeling zijn.
Hoofdvraag onderzoek
De hoofdvraag van dit onderzoek is aan deze set kernindicatoren verbonden en luidt:
Welke resultaten zijn er behaald op de kernindicatoren die zijn samengesteld door Programmateam Inburgering ten aanzien van de opgave ‘Thuis Weten van Inburgeraars’?
1.3 Definitie ‘inburgeraars’
De groep ‘inburgeraars’ is divers
Voordat we de onderzoeksmethode en -resultaten bespreken, is het belangrijk te definiëren wie we in dit onderzoek als inburgeraar beschouwen. Begrippen zoals inburgeraar, vluchteling, nieuwkomer en (arbeids)migrant zien we in nieuwsberichten en horen we in spreektaal vaak door elkaar. Maar het is wettelijk bepaald of je wel of geen inburgeraar bent, en dus inburgeringsplichtig bent of niet. Arbeidsmigranten zijn bijvoorbeeld niet inburgeringsplichtig, tenzij ze zich langdurig in Nederland willen vestigen. Bovendien hebben niet alle inburgeraars een vluchtverleden. Inburgeraars kunnen ook afkomstig zijn uit veilige landen buiten de EU. Ook deze groep is verplicht om de Nederlandse taal te leren en om te leren hoe de Nederlandse samenleving en arbeidsmarkt werken. Voor dit onderzoek is het feit dat inburgeraars heel verschillende achtergronden kunnen hebben een belangrijk aspect om mee te nemen bij het duiden van de uitkomsten.
Wettelijk onderscheid tussen asielstatushouders en gezinsmigranten
Er is een wettelijk onderscheid tussen asielstatushouders en gezinsmigranten. Deze twee groepen hebben verschillende rechten en plichten in het inburgeringsproces. Asielstatushouders zijn vluchtelingen met een verblijfsvergunning. Ook hun nareizende familieleden vallen onder deze categorie. In de groep gezinsmigranten zitten mensen die naar Nederland komen om zich bij een persoon met de Nederlandse nationaliteit of iemand met een Nederlandse verblijfsvergunning te vestigen. Bijlage 4 gaat verder in op uitzonderingen en andere (definitie)verschillen tussen nieuwkomers.
Verschillende uitgangsposities om aan inburgeringstermijn te beginnen
Grofweg is er een verschil in de route die een asielstatushouder of gezinsmigrant aflegt om in Nederland te komen. Een asielstatushouder is eerst een vluchteling en verblijft in een AZC totdat de IND een asielstatus toekent. Professionals schetsen het beeld dat een asielstatushouder begint aan de inburgeringstermijn terwijl er nog veel zaken ‘op orde’ gebracht moeten worden. Zo komen ze in een voor hen onbekend land wonen, met een onbekende taal en cultuur, zonder eigen sociaal netwerk. Ook komen ze vaak vanuit een onveilige situatie in het land van herkomst, wat maakt dat zij ook bepaalde gebeurtenissen moeten verwerken of (nog steeds) stress ervaren over familie en/of vrienden in het land van herkomst. Dit kan zorgen voor een grote emotionele last. Deze factoren hebben invloed op het inburgeringsproces, waardoor het voor hen lastig kan zijn om te ‘landen’ in Nederland. Een van de professionals legt dit uit als: “Bij de statushouders is het een grotere stap om in Nederland te komen, omdat het veel meer informatie is dat ze moeten verwerken, veel meer dingen die ze van thuis moeten verwerken. Het duurt wat langer voordat de informatie landt en ze het doorhebben.”
Een (deel van de) gezinsmigrant(en) voegt zich bij een Nederlandse partner. Zij hebben zich vaak al voorbereid op hun komst en verplichtingen in Nederland, bijvoorbeeld door het Basisexamen Inburgering in het buitenland af te leggen. Daardoor hebben zij vaker al enige kennis van de Nederlandse taal, als zij starten met hun inburgeringstraject in Nederland. Een bepaalde groep gezinsmigranten komt in een stabielere situatie terecht, geven professionals aan. Zij gaan bij hun partner wonen en kunnen zowel financieel als sociaal in meer of mindere mate leunen op hun partner. De partner is vaak al bekend in Nederland, wat het ook voor de gezinsmigrant makkelijker maakt om hun weg te vinden. Ze komen in een bestaand netwerk terecht. Deze stabielere situatie zorgt ervoor dat er meer tijd, ruimte en aandacht is voor het leren van de taal en het (eventueel) volgen van taallessen en het zoeken naar betaald werk. Tegelijkertijd geldt deze stabielere uitgangspositie niet voor alle gezinsmigranten. Professionals geven ook aan dat er kwetsbare gezinsmigranten zijn, waar ze zich zorgen over maken. De kwetsbare positie komt bijvoorbeeld doordat zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun inburgeringsproces, minder begeleiding krijgen, het inburgeringstraject zelf moeten bekostigen en vaak ook zorgtaken thuis hebben. Meer hierover is te lezen in hoofdstuk 8.
1.4 Methoden van onderzoek
Voor het beantwoorden van de hoofdvraag zijn drie methoden gekozen:
-
Enquête onder inburgeraars:
Door inburgeraars rechtstreeks te bevragen over aspecten van hun alledaagse leven, kan worden vastgesteld hoe tevreden zij zich daarover voelen. De eerder opgestelde vragenlijst is opnieuw gebruikt en geactualiseerd. De vragenlijst is aangeboden in zeven talen (Nederlands, Engels, Arabisch (Syrisch), Tigrinya, Farsi, Dari en Turks).De enquête is per e-mail aangeboden aan 1.653 inburgeraars. Deze inburgeraars worden door de gemeente Utrecht begeleid voor een inburgeringstraject onder de nieuwe wetgeving (WI2021), of hebben hun inburgering net afgerond. Er is gerespondeerd door 296 inburgeraars, dat is een respons van 18%. Waar mogelijk maken we in de resultaten een vergelijking met het Utrechts gemiddelde.
- Interviews met inburgeraars:
Om een beter beeld te krijgen van het verhaal achter de cijfermatige resultaten van de enquête is er met inburgeraars gesproken. Er zijn in totaal 10 diepte-interviews gedaan met 10 inburgeraars, in hun eigen taal. De gesprekken zijn gevoerd door onderzoeksbureau Open Embassy. Een gesprek duurde één uur en een inburgeraar kreeg een VVV-bon van € 25,- als vergoeding. We hebben de vertaling van de gespreksverslagen ontvangen ten behoeve van de analyse. - Interviews met professionals:
Om ook het perspectief van professionals werkzaam in het veld toe te voegen hebben we groepsinterviews gehouden met in totaal 14 professionals verdeeld over 5 gesprekken. De interviews van één uur zijn thematisch ingestoken en focusten zich op werk, taal, sociale verbinding, begeleiding van asielstatushouders en begeleiding van gezinsmigranten.
Gedetailleerde informatie over de opzet van de enquête, de responsopbouw en de interviews is terug te vinden in bijlage 2.
1.5 Verschillen in methode ten opzichte van de meting van 2024
In de evaluatie van het onderzoek van 2024 zijn verschillende verbeterpunten benoemd. In combinatie met nieuwe inzichten over de onderzoeksaanpak, is het onderzoek in 2025 op een aantal punten anders uitgevoerd. Hieronder volgen de veranderingen in aanpak ten opzichte van het onderzoek van 2024:
- Uitbreiding doelgroep onderzoek
In het eerste onderzoek gold de regel: “wanneer een inburgeraar klaar is met zijn of haar traject en dus niet meer inburgeringsplichtig is, is deze niet langer onderdeel van onze onderzoekspopulatie.” In de meting van 2025 is de onderzoekspopulatie uitgebreid en zijn ook inburgeraars benaderd die hun inburgering (net) hebben afgerond. - Kleine aanpassingen (toevoegingen) in de enquête
De vragenlijst van de vorige meting is als basis gebruikt voor het huidige onderzoek, maar op een aantal punten geactualiseerd en aangevuld met nieuwe vragen. Er is in deze meting van 2025 onder andere gevraagd naar de bekendheid en ervaringen met het Welkomhuis. Dit was in 2024 nog niet mogelijk, omdat het Welkomhuis destijds nog niet geopend was. - Interviews met inburgeraars in de eigen taal
Om een diverse groep inburgeraars te kunnen interviewen is er dit jaar voor gekozen om samen te werken met een extern onderzoeksbureau (Open Embassy) die interviews in de eigen taal van de inburgeraar kan verzorgen. Dit heeft ervoor gezorgd dat er inburgeraars van verschillende achtergronden gesproken zijn, in plaats van alleen inburgeraars die Nederlands of Engels spreken. Tevens zorgt interviewen in de eigen taal ervoor dat er meer aandacht is voor de ‘emotionele’ componenten van een gesprek, dat wil zeggen, niet alleen de inhoud van het antwoord wordt meegenomen, maar ook de manier waarop de antwoorden worden geformuleerd. - Interviews (duo of trio) met professionals en gericht op één thema
Dit jaar is er voor gekozen om de interviews met professionals thematisch in te steken. Zo werden de gesprekken afgebakend op één thema of één doelgroep, en werd er gesproken met professionals die in hetzelfde domein werkzaam zijn. Hierdoor was er meer ruimte om op één van de thema’s in te gaan en elkaar aan te vullen. In de vorige meting is gebleken dat een focusgroep met professionals vanuit de verschillende levensdomeinen niet geheel de juiste aanpak is om op het brede onderwerp ‘inburgering’ te reflecteren. De ervaringen van professionals liepen erg uiteen waardoor deze setting niet leidde tot verdieping.
1.6 Verschillen in rapportage ten opzichte van de meting van 2024
Rapporteren van resultaten van 2025 als opzichzelfstaand onderzoek
Deze rapportage is een tweede meting om inzicht te krijgen in hoe inburgeraars zich thuisweten. Hoewel de onderzoeksaanpak is aangepast, zijn de enquêtevragen grotendeels herhaald. De groep respondenten is geen representatieve afspiegeling van alle inburgeraars. Het is aan te nemen dat de enquête is ingevuld door inburgeraars die geletterd zijn (in hun moedertaal), die een eigen e-mailadres beheren en die voldoende tijd, ruimte, rust, vertrouwen en motivatie hebben om een enquête vanuit de gemeente in te vullen. Dit is niet vanzelfsprekend voor iedereen het geval.
We spreken over inburgeraars, asielstatushouders of gezinsmigranten, in deze peiling. We doen geen uitspraken over dé Utrechtse inburgeraar in het algemeen. Daarom zijn de resultaten van de twee metingen in 2024 en 2025 niet één op één met elkaar te vergelijken. De resultaten geven wel inzicht in hoe het gaat met de groep inburgeraars in deze peiling. Verdere toelichting op de redenen die het lastig maken om de resultaten door de tijd te vergelijken is te vinden in bijlage 3.
Resultaten enquête worden uitgesplitst naar asielstatushouders en gezinsmigranten
In tegenstelling tot de vorige meting rapporteren we de resultaten van de enquête van 2025 niet op totaalniveau, maar splitsen we deze uit naar asielstatushouders en gezinsmigranten. De reden hiervoor is dat deze groepen dusdanig van elkaar verschillen en een ander antwoordpatroon laten zien, dat het rapporteren op totaalniveau (“de totale groep inburgeraars”) alleen daadwerkelijk iets zegt over de groep inburgeraars in Utrecht als de verhouding tussen deze twee groepen overeenkomt met de werkelijke groep nieuwkomers. Dat is niet het geval. In dit enquêteonderzoek is er een oververtegenwoordiging van gezinsmigranten, wat de resultaten op totaalniveau kleurt (in de enquête is de verdeling: 42% asielmigranten vs. 58% gezinsmigranten; in de gehele populatie is de verdeling: 48% asielmigranten vs. 52% gezinsmigranten).
1.7 Leeswijzer
Na deze inleiding (hoofdstuk 1) volgen de resultaten van het onderzoek, ingedeeld naar de verschillende thema’s. In hoofdstuk 2 gaan we in op het thema (vrijwilligers-)werk en in hoofdstuk 3 op het thema taal. In hoofdstuk 4 staat het thema gezondheid en welzijn centraal en in hoofdstuk 5 het thema (financiële) zelfredzaamheid. Hoofdstuk 6 behandelt het thema sociale verbinding en hoofdstuk 7 staat stil bij het Welkomhuis. Ieder hoofdstuk is als volgt opgebouwd: we beginnen met het beschrijven van de enquêteresultaten, gevolgd door de uitkomsten van de interviews met inburgeraars. We sluiten elk hoofdstuk af met een beschrijving van de resultaten van de interviews met professionals. In hoofdstuk 8 worden nog overige bevindingen gedeeld. Tot slot volgen er verschillende bijlagen.
Wanneer wij spreken over inburgeraars, gezinsmigranten of asielstatushouders, betreft dit de groep die heeft deelgenomen aan de enquête of de interviews. Dit is niet representatief voor de totale groep inburgeraars in Utrecht.